september 2013

dinsdag 4 december 2012

Bewegingsarmoede, overgewicht en verkeersonveiligheid


Kinderen in het verkeer
  • In 2012 was ruim 10,5% van de totale bevolking in de leeftijd 0 t/m 12 jaar. 
  • Kinderen in de leeftijd van 0-14 jaar reizen gezamenlijk ruim 18 miljard kilometer per jaar. Verreweg de meeste van deze kilometers worden afgelegd als autopassagier: 75% van het aantal reizigers-kilometers. Fietskilometers (zelfstandig of als passagier) vormen 14% van het totaal. Voetgangerskilometers spelen nauwelijks een rol: 3% van het totaal. 
  • Per jaar vallen er ongeveer 35 doden in verkeer in de leeftijd 0-14 jaar. 
  • Voor alle vervoerswijzen samen valt er per miljard reizigerskilometers onder kinderen van 0-5 jaar: één dode. Onder de 6-11-jarigen zijn dit er: 1,8 en onder de 12-14-jarigen: 3,7 (periode 2005-2007). Voor de volwassenen (15+) zijn dat er 4,2.

In hoofdlijnen zijn er drie problemen te onderscheiden:
  1. kinderen bewegen minder en nemen minder zelfstandig deel aan het verkeer;
  2. maatschappelijke tendens: meer kinderen met overgewicht;
  3. kinderen verongelukken in het verkeer.

Kinderen bewegen minder en nemen minder zelfstandig deel aan verkeer

Spelen kent veel concurrentie
Er zijn aardig wat factoren waarom kinderen tegenwoordig meer binnenshuis spelen. Zo is in meer dan 70 procent van de Nederlandse gezinnen een pc aanwezig (en waarschijnlijk ook spelletjes) naast video's, muziek en kast(en) met 'gewoon' speelgoed. Ook spelen, sporten of recreëren kinderen meer georganiseerd: vier op de vijf kinderen zijn lid van één of meer clubs. Gemiddeld speelt ruim 80 procent meer dan drie keer per week buiten. De piek ligt daarbij in de leeftijdsgroep van zeven en acht jaar (86 procent). 

Gelukkig is er ook goed nieuws: slechts anderhalf procent van de kinderen tussen 4-12 jaar speelt nooit buiten en 17,5 procent minder dan drie keer per week. Hoe landelijker de woonomgeving, hoe meer de kinderen buiten spelen. In grote steden wordt gemiddeld zo'n 75 minuten per dag geknikkerd en gevoetbald. In gemeentes met minder dan 30.000 inwoners spelen kinderen langer buiten: 108 minuten per dag. Het geslacht maakt eveneens verschil. Jongens vanaf 11-12 jaar zijn buiten beduidend actiever dan meisjes; bijna de helft van de meisjes speelt dan niet meer buiten. 
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. (08 november 2010).

Waarom kinderen volgens hun ouders (bijna) niet buiten spelen 

Redenen waarom 19 procent van de kinderen nooit of weinig buiten spelen (ongeveer 300.000 kinderen) zijn volgens de ouders:
  • ze spelen liever binnen;
  • de omgeving is ongeschikt;
  • er zijn geen kinderen in de buurt om mee te spelen;
  • de verkeerssituatie is te gevaarlijk.
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. 2010

Beperkte vrijheid
Kinderen mogen wel buiten spelen, maar de bewegingsvrijheid is gelimiteerd. Verkeersonveiligheid blijkt voor veel ouders een remmende factor. Zeker een derde van de ouders of verzorgers blijft daarom opletten, vooral bij de allerjongsten. Bijna de helft van de kleuters komt bij wijze van spreken het tuinhekje nog niet alleen voorbij. Hoe ouder het kind, hoe groter diens bewegingsruimte wordt. Slechts een kleine 30 procent van de vaders en moeders laat hun kroost met een gerust hart buiten de eigen buurt spelen. In de kleinere kernen ligt dat percentage iets hoger.

Bepalende factoren bewegingsvrijheid kinderen

3 factoren bepalen de bewegingsvrijheid van kinderen:
  • leeftijd: hoe ouder het kind hoe meer bewegingsvrijheid;
  • geslacht: jongens worden eerder en meer vrijgelaten dan meisjes;
  • beleving verkeersveiligheid: de verkeersveiligheid in de middelgrote steden wordt het meest negatief beoordeeld door ouders.
Bron: 'Verkeersveiligheid en zelfstandige mobiliteit van kinderen', Montanus, M. 2010

‘Hockey-moms’ druk met halen & brengen
Met name de acht- tot twaalfjarigen zijn actief in het verenigingsleven. Ze worden gebracht, want de meeste clubs blijken niet direct in de buurt te zijn. Meer dan driekwart van de ouders brengt de kinderen weg en haalt ze weer op. Ruim 43 procent pakt daarvoor de auto. Bijna de helft fietst met de kinderen mee of neemt ze achterop. Pas als kinderen een jaar of elf, twaalf zijn mag de meerderheid zelfstandig een grotere afstand overbruggen. De ‘hockey- and soccer moms’ hebben een drukbezet haal- en brengpatroon. Naast  factoren uit het bovenstaande kader is ook de agenda van de ouders bepalend voor de vervoerwijzekeuze bij het halen- en brengen van de kinderen.

Ouders willen meer verkeersveiligheid
Hoe beoordelen ouders de verkeersveiligheid rond huis en op weg naar school of clubjes? Niet best. De inwoners van de vier grootste steden komen niet verder dan een vijfje. Toch geeft liefst driekwart van alle ouders aan dat er wel - meerdere - verkeersvoorzieningen zijn om de woon- en leefomgeving te verbeteren zoals woonerven, zebrapaden, stoplichten en 30km-zones. Naarmate de leeftijd van een kind oploopt, schatten de ouders het verkeer trouwens in het algemeen veiliger in.

Tot hun zesde of zevende jaar worden vrijwel alle kinderen door hun ouders naar school gebracht. Een kwart zit achterop de fiets of op de achterbank. De rest loopt of fietst zelf. Vanaf hun negende of tiende gaat bijna tweederde elke dag alleen op weg. Dat geldt althans vooral voor de jongens. Meisjes kuieren vaker gezellig samen met hun vriendinnen.

10 nadelige gevolgen van minder beweging(svrijheid) 

De verminderde beweging(svrijheid) van kinderen en de nadrukkelijkere begeleiding van een volwassene onderweg naar school of club heeft tal van nadelige gevolgen, zowel fysiek als mentaal:
  1. minder contact met buurtgenootjes; 
  2. minder lenig;
  3. mindere conditie;
  4. meer moeite met het oplossen van ruzietjes met andere kinderen;
  5. minder goed eten en slapen;
  6. groter risico op astmatische klachten;
  7. meer overgewicht / obesitas;
  8. minder fietsvaardigheid;
  9. minder verkeerservaring (inschattingsvermogen e.d.);
  10. lopend en fietsend ontdek je een heleboel. Vanaf de achterbank niets. 
Bron: samenvattend overzicht van SOAB op basis van diverse bronnen en onderzoeken


Maatschappelijke tendens: meer kinderen met overgewicht

Meer dikke kinderen, vooral meisjes 
Het aantal kinderen en volwassen met overgewicht en obesitas is de laatste jaren wereldwijd snel toegenomen. Ook in Nederland is overgewicht een uitdijend probleem. TNO Kwaliteit van Leven analyseerde in samenwerking met het VUmc de gegevens van meer dan 80.000 kinderen in de leeftijd vier tot vijftien jaar. Gemiddeld is veertien procent van de jongens en zeventien procent van de meisjes te dik.

Sinds 1997 is het aantal jongens dat op negenjarige leeftijd te dik is met bijna tachtig procent toegenomen van (9,0 % naar 16,1%). Voor twaalfjarige jongens en voor vijftienjarige meisjes is het aantal zelfs ruim verdubbeld. Er zijn meer meisjes te dik dan jongens, met name op jongere leeftijd. Zo is op achtjarige leeftijd bijna een kwart van de meisjes te dik ten opzichte van 17,3 procent van de jongens. Het percentage jongens en meisjes, dat veel te zwaar is (obesitas), is ook sterk toegenomen. Bij jongens van vier en twaalf jaar en meisjes van vijf en dertien jaar is het zelfs verdriedubbeld. Een relatie met minder buiten spelen en minder lopen en fietsen ligt voor de hand (zie boven).

Afb. 1 en 2. Obesitas onder jongens en meisjes. Bron: TNO    


Drie hoofdoorzaken voor overgewicht 
Er is geen eenduidig antwoord op de vraag waarom mensen overgewicht hebben. Er is wel een aantal veranderingen te noemen dat de kans op overgewicht vergroot. Simpel gezegd eten mensen te veel, eten ze te ongezond en bewegen ze te weinig. Dit geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen. De drie hoofdoorzaken voor overgewicht zijn:

1. Aanbod van voedsel is enorm veranderd:
  • fast-food;
  • kant-en-klaarmaaltijden;
  • meer suikers, zout en vetten. 
2. Forse afname van lichaamsinspanning:
  • meer autoverplaatsingen (ook naar school);
  • minder buitenspelen;
  • meer spelen zonder beweging. 
3. Maatschappelijke veranderingen:
  • volle agenda’s (minder tijd voor eten en bewegen);
  • meer tijd achter tv of computer.
 Bron: NISB 

Opmerkelijk: minder fietsen -> meer obesitas
In die gebieden waar men weinig fietst zoals Zuid Limburg, delen van Gelderland, Drenthe en Flevoland en de stad Rotterdam komt obesitas veel meer voor. En andersom ook, waar men relatief veel fietst zoals Noord-Holland Noord en de stad Amsterdam komt obesitas veel minder voor. Of er een verband bestaat tussen obesitas en fietsgebruik, is nooit bewezen. Het interessant is om dit nader te onderzoeken.

Bron: KpVV-dashboard 'gezondheid'

klik afbeelding om te vergroten


Afb 3 (links) gebieden met relatief meer (rood) en           Afb 4 (rechts) gebeiden waar weinig (rood) of
minder (groen) obesitas dan gemiddeld (geel)                 juist relatief veel (groen) wordt gefietst.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen